Jacob Pinto (Amsterdam, 1896 – Auschwitz, 1943) werd geboren in een ‘rood’ gezin. Zijn vader was schijvenschuurder en een van de eerste bestuursleden (mogelijk medeoprichter) van de Schijvenschuurdersbond. Schijvenschuurders stonden zo’n beetje onderaan de ladder, en Jaap deed het beter op de markt, als zelfstandige.

Drop-out

‘De diamant’ was nogal een gesloten vak. Er kon periodiek goed verdiend worden, maar lang niet altijd en lang niet door iedereen. Een werkloosheidsuitkering was er niet. Als er geen werk was, stonden diamantbewerkers op de markt of leenden zij wat geld om een kar te huren en wat handel te kopen.

Arbeiders in de diamant konden (een beperkt aantal) gezinsleden laten opleiden in het vak. Ook Jaap Pinto kreeg waarschijnlijk zo’n opleiding. In vroege aktes geeft hij als beroep op: roosjesslijper of roosjeszager. Maar al snel werd hij een ‘drop-out’. Hij stond met ‘lederwaren’ op verschillende markten en verdiende daarmee een behoorlijke boterham. Zijn tassen waren van goede kwaliteit; toen een familielid jaren na de oorlog besloot eindelijk de hare weg te doen, zagen zij er nog steeds niet slecht uit (zie hiernaast). Volgens de familie was Jacob een prima koopman die zich ‘overal uit wist te kletsen’. 

Honger

De ‘papieren neerslag’ van zijn leven ondersteunt dat idee van een vlotte babbelaar. Maar voor hij zich uit diverse problemen wist te kletsen, raakte hij er wel eerst in verward. Familieverhalen, een enkel politierapport en wat krantenberichtigjes geven een beeld van een opvliegend man met een sterk gevoel voor rechtvaardigheid.
Zijn vader richtte zich als vakbondsman meer op onderhandelen, maar Jaap zat dichter bij de CPN/CPH.
Wij hebben honger“, zo verklaarde hij dat volgens een familielid . Waarop zijn moeder zou hebben gezegd: “Hij honger? Hij heeft net een galletje en een fijntje gegeten.

‘Van misdrijf niets gebleken’

Een politiedagrapport van zondag 10 maart 1940 lijkt een voorbeeld van hoe Jacob zich eerst in de nesten werkte, maar zich daar vervolgens ook weer ‘uitkletste’:

“12.05 Brengen de a/p/s van Veen en Dijk, vanuit de Reguliersbreestraat alhier, 2 personen, die respectievelijk opgeven genaamd te zijn: Jacob PINTO, geb: te A’dam 15 Dec: 1896, van beroep koopman won: Van Swindendwarsstraat No 22II alhier, en [NAAM WEGGELATEN], geb te A’dam 7-12-96, koopman, won: Van Wouwstraat No 10II alhier.
Volgens verklaring van Cornelis Weiermans, 23 jaar, chauffeur, won: Nieuwe Leliestr: 154 huis alhier, en Geerle Overweg, geb: te A’dam 14-1-94, echtgenoote van A. Visser, won: Niewedijk No 4I alhier,
had genoemde PINTO, tijdens een vechtpartij in het portiek van perceel Reguliersbreestraat No 19 een onbekend gebleven persoon, door een ruit van het in perceel Reguliersbreestr: 19 gevestigd café van de Wed: zens, gedrukt, waardoor die ruit ter groote van 2.- M bij 1.25 M werd vernield.
Ruit verzekerd. Van misdrijf niets gebleken. Heengezonden.”

Royement

Jacob stak zijn mening niet onder stoelen of banken. Zo maant hij in november 1925 de SDAP in een ingezonden brief in het Volk om eens beter achter contributieschulden aan te gaan. Dat zou het ledental veel beter op peil houden:

“Ik heb zelf ondervonden, dat personen meenden nog steeds lid van de S.D.A.P. te zijn, maar geroyeerd waren wegens kontributieschuld, zonder dat zij gesommeerd waren om hun schuld aan te zuiveren. Men wordt geroyeerd bij een kontributieschuld van meer dan vier weken, maar vaak komen de boden, die met de inning beslast zijn, niet geregeld aan huis en vaak blijft ook waarschuwing uit.”

Volgens deze brief blijft hier dus de partij in gebreke, en niet de geroyeerde leden.

‘Beleedigd’

In augustus 1927 beklaagt Jaap zich in een ingezonden brief, ook aan het Volk, over de politie. Hij tekent als eerste; ook een L. Lopes Dias, waarschijnlijk familie, tekent mee samen met nog drie anderen. Zij klagen over een incident bij een “vergadering der diverse revolutionnaire organisaties” in het Concertgebouw, “waar velen niet meer toegelaten konden worden.”
Jacob schrijft:

“Er vormden zich groepjes, die over Sacco en Vanzetti spraken. Zoo ook een vijftal joden in een groepje, die zeer kalm spraken, zonder luidruchtigheid. Naast hen stonden twee agenten, die hun gesprekken niet konden horen, wijl zij zacht praatten.
Opeens ging een agent (no. 665; de ander was 269) naar het groepje toe met de woorden: “ga weg met je jodensmoel, vuile pestsmaus”. De aldus aangesprokenen hebben hunne verontwaardiging bij den hoofdinspekteur Hoogenboom uitgesproken, die echter antwoordde, dat hij zoo’n uitdrukking niet erg vond.”
“Onze vraag: Mag niemand een ander beleedigen, maar mag de politie dit wel? En kan er geen eind gemaakt worden aan de politie ruwheden van den laatsten tijd?”

Grote foto: Jacob Pinto met zoontje Julius, ca 1927. Maker onbekend.
Tekst en foto’s mogen uitsluitend na toestemming van de auteur worden gereproduceerd. e.friedmann 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *