open joodse huizen

Uit 200 woningen in het Van Ostadehofje in Den Haag werden tijdens WOII alle 34 Joodse bewoners gedeporteerd. Op 4 mei 2019 deelden bezoekers en bewoners in 3 huisjes verhalen over hoe hun voorgangers woonden en werkten. De belangstelling is groot, maar over hun leven is heel weinig te vinden.

4 mei, wie weet wie we herdenken

De Van Ostadewoningen voor ‘minvermogenden’ in Den Haag zijn gefinancierd door Joodse weldoeners, maar al sinds de bouw in 1887 waren en zijn de meeste bewoners niet Joods. Het onderscheid leek nauwelijks relevant – tot het uitbreken van WOII. Tien van de huisjes werden op dat moment bewoond door Joodse huurders, 34 mensen in totaal onder wie tien kinderen. Zij werden zonder uitzondering gedeporteerd. Niet één van hen overleefde de oorlog.

In totaal kwamen meer dan 75 deelnemers naar de zes herdenkings­­bijeenkomsten op Open Joodse Huizen-dag 2019. Ruim 50 geïnteresseerden voor wie geen plaats was in de huisjes, volgden een rondleiding door het hof. Hun leeftijd varieerde van tien tot tachtig jaar. De herdenkingen kregen onder meer aandacht in de nieuwsbrief van Museon, de Haagse editie van de Telegraaf en Den Haag Centraal.

Die belangstelling voor de gedeporteerde bewoners van dit hofje lijkt nieuw. Het vinden van verhalen over hun leven was moeilijker dan gedacht. Zij leken totaal verdwenen, letterlijk spoorloos.
Dat er geen nabestaanden te vinden waren, is niet vreemd. Opvallend veel hofjesbewoners waren familie van elkaar: er woonden broers en zussen, oma’s, opa’s en kleinkinderen. “Zo was dat in arme buurten”, zei een oudere bezoekster: “Dan had je steun aan elkaar.” Als gevolg daarvan werden soms, al woonden er ook grote gezinnen, drie generaties van een familie totaal uitgewist. 

Het ontbreken van papieren sporen lijkt te wijten aan het feit dat dit huisjes waren voor arme mensen: “Ja, als je arm bent, tel je niet mee”, zei een deelnemer. Zij hadden geen zitting in besturen. Hun kinderen bezochten niet het Joods Lyceum en ontbreken in het boek dat daarover is gepubliceerd. Jette van Tijn was al op haar 14e aan het werk als “winkeljuffrouw”. Anna Alter, een van de best opgeleide bewoners, werkte bij Maison de Bonnetterie. De krant haalden zij zelden of nooit, en zeker niet op een ‘salonfähige’ manier. (De enige uitzondering tot nu toe, ‘Kameraad Ricardo’, was lid van een Werklozen Strijd Comité; goed voor een paar luttele centimeters in de Tribune). Hun namen zijn bijna alleen te vinden op monumenten.

Niet alleen papieren sporen ontbreken. Het Van Ostadehofje is zo klein, dat het de overige bewoners niet ontgaan kan zijn dat hun buren na de grote razzia’s in Den Haag plotseling verdwenen waren. Zij verhuisden snel genoeg naar de leeg gekomen woningen. Maar over het lot van die buren, “daarover praatte je niet na de oorlog”, zei een bezoekster van de herdenking op 4 mei.

Mensen die nu in de huisjes wonen waaruit zij gedeporteerd zijn, reageerden geschokt toen zij dit hoorden. Zij kenden de geschiedenis van hun voorgangers in het hofje niet. Daarin komt volgend jaar hopelijk verandering; de stichting die eigenaar is van het hofje, hoopt dan een plaquette met hun namen aan te brengen.